Alleen het onderweg zijn telt

Social Share

Alleen het onderweg zijn telt

In de jaren tachtig van de twintigste eeuw had de eeuwenoude pelgrimsroute naar Santiago de Compostela een ongekende populariteit gekregen. Velen legden de hele pelgrimsweg of delen ervan te voet of met de fiets af, er verschenen boeken over Compostela en er werden grote tentoonstellingen aan de tocht gewijd. De Spaanse rooms-katholieke bisschoppen zagen daarin in juli 1988 aanleiding een herderlijke brief aan de weg naar Compostela, ‘el camino de Santiago’, te wijden. Zij zagen in de tocht een middel bij uitstek van evangelisatie, ja van herkerstening: de pelgrims beginnen de tocht om uiteenlopende redenen, maar, zo meenden de bisschoppen, ze zullen uiteindelijk de weg naar de katholieke kerk terugvinden. ‘Men begint aan de uitwendige tocht zonder veel uitdrukkelijke motivaties van religieuze aard; gaandeweg echter bewerkt de ondernomen pelgrimage een loutering van de bedoelingen; en uiteindelijk breekt voor het Graf van de Apostel een open bekering door tot God en tot Jezus Christus. De pelgrim vindt het geloof terug dat hij ooit verloren had, of vergeten in zijn adolescentie,’aldus de Spaanse bisschoppen in 1988.

De beschrijving van de bisschoppen lijkt nu, bijna twintig jaar later, vooral ‘wishful thinking’. Natuurlijk zijn er verslagen van pelgrims die door de tocht naar het vermeende graf van de apostel Jacobus de Meerdere het kerkelijke geloof van hun jeugd terug hebben gevonden. Er zijn zelfs pelgrims die, zoals ook in de middeleeuwen gebeurde, na deze tocht besloten hebben hun leven aan het geloof te wijden, bijvoorbeeld door priester te worden of aansluiting te zoeken bij een kloostergemeenschap. Maar zij vormen uitzonderingen. Uit de meeste verslagen van pelgrimstochten valt niet af te leiden dat de reizigers en hun tochtgenoten een bekering hebben doorgemaakt.

Dat betekent niet dat er door de tocht niets in hun leven veranderd is. Dat laatste blijkt in veel gevallen juist wel gebeurd te zijn. Maar die verandering betekent geen terugkeer naar Jezus of naar de kerk. In de meeste gevallen is het eerder een terugkeer naar zichzelf. Veel pelgrims worden door de tocht teruggeworpen op zichzelf. Zij worden alleen al door de fysieke beproeving die de lange tocht betekent, geconfronteerd met zichzelf. Er is weinig afleiding onderweg, er is weinig waarachter de pelgrim zich kan verschuilen of waarin hij kan vluchten. De pelgrim komt zichzelf tegen. Hij kan onderweg van alles achter zich laten, allerlei overtollige ballast. Maar zichzelf kan hij niet achterlaten. Hij neemt zichzelf overal mee.

En vervolgens leidt de confrontatie met zichzelf bij veel pelgrims ook tot een reflectie over datgene wat zijn of haar leven draagt: de grond van het bestaan. Wat is het geheim van mijn leven? Waarom ben ik er, terwijl ik er ook niet hadden kunnen zijn? En waarom ben ik er zó, zoals ik ben? De tocht leidt tot een confrontatie met het gegevene, met datgene wat zich aan maakbaarheid en manipulatiedrang onttrekt, datgene waarover wij niet in alle vrijheid zelf kunnen beschikken: ons contingente bestaan. 

Veel pelgrims blijven na en door hun tocht intensiever met deze vragen rond het geheim van hun leven bezig. Anders gezegd: zij blijven ook na het bereiken van hun bestemming pelgrims. De tocht naar Santiago de Compostela of welke andere bedevaartplaats ook blijkt niet meer dan een etappe, zij het een belangrijke, geweest te zijn op hun levensweg. Hun pelgrimage gaat door. Zij blijven zoeken, vaak op een meer bewuste manier dan vóór hun pelgrimstocht. De weg is nog niet ten einde. En die weg, en niet de bestemming, blijkt het belangrijkste te zijn. Dat ontdekte ook de fotograaf Toon Michiels, die tussen 1996 en 2007 elf keer de route tussen ’s-Hertogenbosch en Santiago de Compostela aflegde en daarvan in foto’s verslag deed. Die foto’s worden van 14 september tot 25 november 2007 geëxposeerd in het Museum van Bommel van Dam te Venlo en bij die expositie verschijnt ook een boek, en dat onder een titel die alles samenvat: Alleen het onderweg zijn telt.

Er zijn dus weinig hedendaagse pelgrims die door hun lange tocht de weg naar de kerk van hun jeugd terugvinden en daar weer neerstrijken. Zij blijven als pelgrims onderweg. Daarin verschillen zij niet zoveel van hun tijdgenoten die niet de lange tocht naar Compostela, Assisi of Rome afleggen, maar toch stil staan bij het geheim van hun leven. Als het om geloof en levensbeschouwing gaat, zijn steeds minder mensen honkvaste blijvers en steeds meer mensen zoekende passanten. De kerken kunnen daar nog moeilijk mee omgaan. Door hun lange traditie als vanzelfsprekende volkskerk zijn vooral de grotere kerkgenootschappen in Nederland – en in ruimere zin in West Europa - gewend aan gelovigen die van de wieg tot het graf bij de kerk horen: stabiele bewoners, die in de kaartenbak of de databank opgeslagen kunnen worden. Zij blijven of zij haken af. Maar met mensen die onderweg zijn en die de kerk op die tocht even aandoen, met pelgrimgelovigen dus, kunnen de kerken nog maar moeilijk omgaan. Misschien is dat wel dé uitdaging voor de kerken in onze tijd: dat zij echt pelgrimskerken worden.

Dat betekent voor de lokale kerkgemeenschap, dus voor de gemeente of parochie, dat zij, zoals Jan Hendriks, pastoraaltheoloog aan de Vrije Universiteit, acht jaar geleden al bepleitte, vooral een gastvrije herberg moet zijn. Zij wil dienstbaar zijn aan de zoeker, aan de pelgrim die voorbij trekt. Zij is bereid erop uit te trekken om de reiziger al even tegemoet te komen, en nadat de pelgrim in de herberg op adem is gekomen en nieuwe energie heeft opgedaan, trekt zij ook weer even met hem mee. Maar zij zal hem niet tot in eeuwigheid in de herberg vast willen houden. Natuurlijk kan de gemeente als herberg alleen maar bestaan als de herberg niet alleen door passanten bevolkt wordt. Er is ook een vaste kern nodig. Er is een gemeenschap nodig die zorgt voor continuïteit en stabiliteit. Maar die gemeenschap zal niet alle bezoekers vast willen houden. Zij moet ermee kunnen leven als velen even te gast zijn, maar daarna weer verder trekken. En zij mag blij zijn als zij hen dan iets mee kan geven, geestelijk voedsel voor onderweg, leeftocht voor de pelgrimage van het leven. Daarin wil de gemeente dienstbaar zijn.

Dat kan zij alleen als zij bereid is af te dalen van haar hoge berg van kerkelijkheid, haar berg van zekerheden. Zij zal zich willen toewenden naar de pelgrim en voorzichtig vragen: waar kom je vandaan, waar ben je naar op weg, wat zoek je onderweg? Zij zal ook de verwarring, de ontheemdheid van de pelgrim voor een stuk moeten delen, om zo echt te kunnen begrijpen wat dienst zoektocht betekent en om te kunnen ontdekken wat ze hem kan bieden. Voor de gemeente als herberg en voor de pastor als herbergier betekent dit een onzeker bestaan. Zij worden ook zelf pelgrim. En elke pelgrimage is een avontuur, vol onvoorziene momenten. Zij kunnen dan niet veel meer dan vertrouwen op Gods genade. Maar dat lijkt me voor een pelgrim toch al heel wat.

Prof. dr. Peter Nissen is hoogleraar Kerkgeschiedenis/Geschiedenis van het Christendom aan de Radboud Universiteit Nijmegen