Het gaat om wat je krijgt.
Waarom loop je? Welke antwoorden zoek je? Vind je het prettig om alleen te zijn? Wat levert je dat op? Waar denk je aan als je loopt? Wat is je doel?’ Pater Tobias zit tegenover me, aan een van de lange tafels in de refter. Vanachter zijn stalen brilletje kijkt hij me met zijn donkere ogen aan. Ik schat dat hij net zo oud is als ik. We hebben zojuist ontbeten, vijf monniken en ik. De andere vier hebben me gegroet en een goede tocht gewenst. Ik luister. En denk na.
‘Dat weet ik niet zo goed. Ik weet niet welke vragen ik heb, laat staan dat ik antwoorden weet. Ik loop om beter te worden. Om mijn burn-out te boven te komen. Om sterker te worden. Om mijn cynisme kwijt te raken, om weer vertrouwen te krijgen in mijzelf, in anderen.’
‘Ik denk dat ik je wel begrijp. Laat je geen doelen aanpraten, geen antwoorden aanpraten. En ook geen vragen. Het is jouw leven. Het is jouw pelgrimsweg, het is jouw tempo en het is jouw doel. Het is jouw Santiago, waar dat ook ligt.’ We praten over lopen en alleen zijn. Over doelen stellen. Over terugkijken, zelfverwijt. Over ontmoetingen. Het is een goed gesprek, al snap ik niet alles wat hij zegt. We spreken over lopen en rusten.
‘Rust’, zo brengt pater Tobias naar voren, ‘betekent dat je echt niets doet. Dat je van niemand een opdracht aanneemt. Dat je van niemand een doel overneemt.’ Hij vertelt zijn eigen geschiedenis. Hij vertelt over ambities en toekomstplannen waar na een ernstige ziekte een kruis door kon.
‘Je hoeft jezelf geen vragen te stellen. Het is helemaal niet erg dat je niet weet wat je wilt. Pieker daar niet over. Loop. Loop maar. Op een dag zul je merken dat het ritme van je leven, het ritme van je gedachten, zich voegt naar het ritme van je stappen. Als je verder komt, ga je begrijpen dat het niet gaat om wat je wilt, maar om wat je krijgt. Ontvang dat met een blij gemoed en met vertrouwen. Je zult ervaren dat wat je ontvangt hetzelfde is als wat je wilt. Dat is geluk. Het geluk van de pelgrim.’
Het is al halverwege de ochtend als we elkaar een hand geven. ‘Je bent tevreden en gelukkig als je je niet verzet tegen wat er gebeurt. Dat geluk wens ik je toe en ik weet zeker dat je het zult ontvangen als je Santiago bereikt. Het ga je goed!’
Wim Diepeveen