Van oude en nieuwe pelgrims

Social Share

Van oude en nieuwe pelgrims

Bedevaarten en pelgrimages zijn eeuwenlang, zowel in het christendom als daarbuiten, vanzelfsprekende onderdelen van de religieuze cultuur geweest. Nu lijken ze in de Westerse wereld een herleving door te maken, maar dan in een context die minder evident religieus en zeker minder evident kerkelijk is. Vele wandelaars zoeken oude bedevaartwegen op, maar zonder zichzelf meteen als bedevaartganger te betitelen. Het woord pelgrim komt hen misschien iets gemakkelijker over de lippen, want daarin ontbreekt de directe verwijzing naar een religieuze handeling die het woord ‘bede’ wel met zich mee brengt. 

Vrouwen en mannen zoeken ook nu de fysieke uitdaging op van een lange wandeltocht langs middeleeuwse pelgrimsroutes als die naar Santiago de Compostela. De ontberingen die zij onderweg ervaren, vormen stof voor soms spannende reisverslagen. Romanschrijver Jan Houdijk en zijn vrouw Cootje beschreven hun hoogte- en dieptepunten tijdens de tocht naar Compostela in het boek Naar de ware Jacob. Zij schreven een soortgelijk verslag van hun tocht naar het Italiaanse Assisi, de stad van Franciscus, onder de titel Zuster Aarde Broeder Zon. De titel verwijst natuurlijk naar het beroemde zonnelied van Franciscus, maar ook naar het belang van de ontmoeting met de natuur en de elementen tijdens hun voettocht. Wie loopt, voelt de aarde én de zon, in de meest fysieke zin.

Niet iedereen gaat trouwens te voet: velen leggen de tocht naar Compostela, Lourdes, Assisi, Rome of andere bedevaartplaatsen per fiets af. Televisiejournalist en oud KRO-medewerker Fons Peters gaf in 1993 in brieven en notities een verslag van zijn tocht naar Compostela met de fraaie titel Pelgrim op pedalen. En vorig jaar legden drie vrouwen met verschillende kerkelijke achtergronden – de gereformeerde Agnes Amelink, de anglicaanse Anja Tollefsen en de katholieke Monic Slingerland - per fiets de tocht af van Canterbury naar Rome. Het boek dat zij over hun ervaringen en gesprekken schreven, draagt de titel Fietsen met God. De religieuze dimensie van de tocht is al uit de titel duidelijk, en wie het boekje leest, merkt al snel hoe belangrijk ook gesprekken over de kerk voor de drie tochtgenoten zijn geweest.

Hun boek is in dit opzicht echter uitzonderlijk binnen het groeiende genre van de pelgrimsverslagen.De verwijzing naar een religieuze en zeker kerkelijke motivatie ontbreekt daarin immers vaak. Soms wordt die motivatie zelfs nadrukkelijk ontkend. De socioloog en journalist Herman Vuijsje noemde zichzelf in een veelgelezen boek uit 1991 expliciet Pelgrim zonder god.

Toch zijn de verslagen van deze pelgrims meer dan toeristengidsen of reisboeken. Er gebeurt in die boeken namelijk niet alleen iets om hen heen, er gebeurt ook iets in henzelf. De boeken gaan niet alleen over al het moois dat er onderweg te zien valt, maar ook over het mooie en minder mooie dat in het innerlijk van een mens-op-pad kan gebeuren. Dat mooie en minder mooie staat niet los van wat er aan de buitenkant gebeurt: het bezoeken van vreemde landen, de ontberingen van de tocht, de ontmoetingen met andere reizigers. Maar tegelijk gaat het er ook niet in op. Er is een eigen, onvervreemdbare dimensie, die van de innerlijke tocht. Terwijl de mens te voet of op pedalen pelgrimeert, gebeurt er ook van binnen iets met hem.

Dat is vaak ook de bedoeling van de pelgrim. Veel moderne pelgrims gaan niet op pad om de relieken van een bepaalde heilige te kunnen zien en aanraken, om kwijtschelding van straffen voor hun zonden te verkrijgen of om een vooraanstaande kerk te kunnen bezoeken. Zij gaan op pad omdat zij behoefte hebben aan een pauze in hun eigen bestaan, aan een moment van ‘er tussen uit zijn’, een moment van reflectie. De Duitse entertainer en televisiepresentator Hape Kerkeling publiceerde onlangs zijn verslag van een voettocht naar Santiago de Compostela onder de titel Ik ben er even niet. Hij had er sterke behoefte aan om een pauze in zijn drukke bestaan in te lassen; hij moest ‘even weg’. Voor velen heeft die pauze te maken met een overgangsmoment in hun leven, al is niet elke pelgrim zich daar bij voorbaat van bewust. Sommigen willen met een voet- of fietstocht nadrukkelijk een belangrijke overgang in hun leven markeren: het einde van een relatie, een verandering van werkkring, de intrede in het gepensioneerde bestaan, de beëindiging van een studie of project, de verwerking van een verlies of ongeval. De pelgrimage vormt voor hen een biografisch overgangsritueel, een rite de passage.

In kerkelijke kring wordt over deze moderne pelgrims soms wat schamper gesproken. Het ‘pelgrimeren zonder God’ wordt er – gelukkig niet door velen – gezien als een narcistisch verval van de christelijke bedevaart: de moderne pelgrim gaat niet om te bidden, maar om met zichzelf bezig te zijn. Niet God staat centraal, maar de pelgrim. De moderne pelgrimage wordt dan al snel ondergebracht onder de cultuurverschijnselen die als restanten van de christelijke geloofspraktijk in een geseculariseerde leefstijl zijn terecht gekomen: het gregoriaans op de concertpodia, de Matthäus Passion als seculiere kerkdienst, de rozenkrans aan de wand van de doorzonwoning, de Statenbijbel op het kastje in de hal, de Madonna van de Bijenkorf. Deze in oorsprong religieuze voorwerpen of handelingen zijn weggehaald uit hun oorspronkelijke, kerkelijke context en in een nieuwe context opgenomen, waarin zij ook van nieuwe betekenissen worden voorzien. De moderne pelgrimage is voor sommigen wat het ietsisme voor orthodoxe gelovigen is: verval van het traditionele christendom, geloofsverdamping, modieuze vrijblijvendheid.

Deze beoordeling doet volgens mij geen recht aan de authentiek religieuze betekenis die het hedendaagse pelgrimeren kan hebben. Het is al gezegd: uit alle pelgrimsverslagen blijkt dat er iets gebeurt aan de binnenkant, in het innerlijk van de pelgrim. De pelgrimage is, ook al denkt de pelgrim zonder God op pad te zijn, toch meer dan een vakantiereis. Er speelt zich een avontuur af in de grondlaag van wie de pelgrim is, de grondlaag die de traditie als ziel aanduidt. Daar gebeuren dingen, daar verandert iets.

Heeft God daarmee van doen? De traditionele pelgrim was doorgaans niet terughoudend in het geven van een bevestigend antwoord: wat er onderweg met mij gebeurd is, is door God gedaan. Die pelgrim kon dat antwoord gemakkelijk geven omdat de hem omringende cultuur het zo plausibel maakte: kerk en geloof waren zo vanzelfsprekend als de aarde waarop hij liep en de lucht die hij inademde. Die traditionele pelgrim wist ook tamelijk precies wie God was. Nu, in onze tijd, weten veel mensen dat niet meer zo zeker. Zij zijn terughoudend geworden in het benoemen en beschrijven van de dragende grond van hun bestaan. Zij hebben vaak wel het vermoeden van een macht of kracht die het zichtbare overstijgt en zeggen dan dat er ‘wel iets’ is. Maar uit respect voor het mysterie laten zij het daarbij.

Dat geldt ook voor veel pelgrims. Ook zij zijn de vanzelfsprekendheden van het verleden kwijtgeraakt, sommigen juist tijdens hun pelgrimstocht. Maar dat maakt hun tocht niet minder tot een pelgrimage dan die van hun voorgangers die het wel zeker wisten.

Prof. dr. Peter Nissen is hoogleraar Kerkgeschiedenis/Geschiedenis van het Christendom aan de Radboud Universiteit Nijmegen