Van kerkelijke pelgrim tot busbedevaart

Social Share

Van kerkelijke pelgrim tot busbedevaart

Wat oude en nieuwe pelgrims van elkaar onderscheidt, is de vanzelfsprekendheid van het kerkelijke christendom voor de eersten en het wegvallen van die vanzelfsprekendheid bij de meeste hedendaagse pelgrims. Natuurlijk is voor alle pelgrims, in welke eeuw ook, het ondernemen van een pelgrimage een heel avontuur. Maar er is wel verschil in de factoren die de tocht tot een avontuur maken. In voorbije eeuwen was het ondernemen van een voettocht met meer fysieke gevaren omgeven dan nu. De pelgrim kon onderweg door wolven of struikrovers overvallen worden. Hij kon de weg kwijt raken en aan honger en dorst bezwijken. Hij kon onbekende ziekten oplopen, waartegen hij geen medicijn kende. De gezondheid van de pelgrim stond vroeger eerder op het spel dan nu. Ook voor de moderne pelgrim blijft de tocht een fysieke beproeving, maar die beproeving is met meer veiligheid en zekerheid omgeven dan in voorbije eeuwen.

In een ander opzicht is de tocht voor de huidige pelgrim echter avontuurlijker dan zij vroeger was. Dat opzicht heeft te maken met de kerkelijke context van de pelgrimage. Voor pelgrims in vroegere eeuwen had het kerkelijke christendom een grote mate van vanzelfsprekendheid. Het ondernemen van een pelgrimage was een handeling die verbonden was met het kerkelijk geloof. Nu is de houding van de kerk tegenover het fenomeen pelgrimage niet altijd probleemloos geweest. Er zijn in alle perioden van de kerkgeschiedenis wel geluiden te horen die getuigen van een zeker kerkelijk voorbehoud en een bepaalde argwaan tegenover het pelgrimeren. Dit kon enerzijds te maken hebben met het feit dat pelgrimages zich vaak aan het initiatief en de regelgeving van de kerk onttrokken – zij leken vaak ‘spontaan’, vanuit de volkscultuur, te ontstaan – en dat zij daardoor ook moeilijker te controleren en te beheersen waren. Bovendien kon een pelgrim die een verre tocht maakte, zich gedurende langere tijd aan het toezicht van zijn eigen kerkelijke herder onttrekken. Andere kritische geluiden, vooral van de kant van theologen en monniken, later ook van de reformatoren, hadden te maken met de hang naar uiterlijkheid, eventueel zelfs van werkheiligheid, die in pelgrimages naar voren kwam. Maar vanaf de hoge middeleeuwen ontdekte de kerkelijke overheid de pelgrimage ook als een instrument van pastorale leiding. Vanaf dat moment werd de kerkelijke bemoeienis met het fenomeen groter. Dit leidde tot een zekere verkerkelijking van de pelgrimage.

Gevolg hiervan was dat voor de meeste pelgrims vanaf de late middeleeuwen een pelgrimage als vanzelfsprekend met de kerk verbonden was. Zij voltrok zich, van het vertrek tot de thuiskomst, in een kerkelijke context. Voor het gemak kunnen we een bedevaart of pelgrimage in drie grote fasen indelen: het vertrek, de tocht en de thuiskomst. Deze indeling kan nog verder verfijnd worden. Dat heeft de Zwisterse volkskundige Iso Baumer gedaan. Hij analyseerde de bedevaart als een rituele handeling in tien stappen. Bij hem is bijvoorbeeld de eerste fase, die van het vertrek, weer in drie stappen onderverdeeld: het initiatief tot de bedevaart, de voorbereiding erop en het werkelijke vertrek. Al die stappen waren in de bedevaartcultuur van de late middeleeuwen tot ver in de twintigste eeuw verbonden met het kerkelijk leven. Zo was het initiatief om op bedevaart te gaan vroeger veel minder een individuele beslissing dan nu. Het werd meer bepaald door kerkelijke patronen en conventies.

Mensen gingen op bedevaart omdat deze handeling door kerkelijke schrijvers en zielzorgers werd aanbevolen. In veel gevallen was de bedevaart aan een biechteling opgelegd als een penitentie, dus als kerkelijke boetehandeling die volgde op de sacramentele vergeving van een zonde. Het kwam tot in de zestiende eeuw zelfs voor dat een bedevaart in de stedelijke rechtspraak als straf aan wetsovertreders werd opgelegd. In die situatie was het dus niet zozeer het individuele besluit van de pelgrim dat de doorslag gaf, maar waren het vertrouwde kerkelijke en maatschappelijke gebruiken die hem op pad brachten. Ook de voorbereiding was doortrokken van vertrouwde rituelen en tradities van de kerkelijke gemeenschap. Want behalve de technische voorbereiding (zorgen voor de juiste kleding, het goede schoeisel, voldoende eten en drinken voor onderweg) verrichtte de aanstaande pelgrim ook kerkelijke rituelen ter voorbereiding op zijn lange tocht. Hij bezocht een liturgische viering, legde een biecht af en ontving van zijn parochiepriester de pelgrimszegen.

Voorbeelden als deze zouden te geven zijn voor elk van de tien stappen waaruit een bedevaart bestaat. De kerkelijke bemoeienis met bedevaarten werd vanaf de zestiende eeuw nog sterker. Juist omdat de reformatoren zich tegen het fenomeen hadden gekeerd, werd het in de rooms-katholieke geloofspraktijk versterkt als onderscheidend element, als ‘unique selling point’. Vooral de rol van de lokale parochie en de parochiegeestelijkheid werd na het Concilie van Trente (1545-1563) verstrekt. Bedevaarten en pelgrimages werden in toenemende mate een onderdeel van de pastorale strategie van de rooms-katholieke parochie. Bedevaarten werden steeds meer op initiatief van de parochie – dat betekende in die tijd: op initiatief van de pastoor – ondernomen. De bedevaartgangers gingen als groepen parochianen op pad. Doorgaans ging de pastoor of de kapelaan mee. De tocht startte vanuit de parochiekerk en eindigde daar bij terugkomst ook weer. Daar lieten de pelgrims herinneringen aan hun tocht achter: een grote bedevaartkaars, een vaandel, een replica van het cultusbeeld van de bedevaartplaats, amuletten of prenten.Vaak probeerde de pastoor de geestelijke ervaring van de bedevaart in de parochie te bestendigen door het oprichten van een broederschap. Kort gezegd: de parochie verplaatste zich tijdelijk. 

Dit fenomeen werd nog versterkt toen in de eerste helft van de twintigste eeuw het fenomeen van de busbedevaart ingang vond: de parochie werd nu per bus tijdelijk verplaatst naar een bedevaartplaats, had daar in parochieel verband een eigen viering, met de eigen pastoor of kapelaan als voorganger, en ging ook in parochieel verband weer terug. Het was enkele decennia lang een succesvol fenomeen, getuige de gigantische parkeerplaats voor bussen die voor een bedevaartkerk als die te Wittem in Zuid-Limburg werd aangelegd.

In de eeuwen vóór de scheiding van kerk en staat kon een tocht in parochieel verband toch nog altijd avontuurlijk zijn. Zo pelgrimeerden in de zeventiende en achttiende eeuw katholieken vanuit de Republiek, waar zij noodgedwongen een schuilkerkenbestaan leidden, naar bedevaartplaatsen juist over de grens, zoals Kevelaer, Scherpenheuvel of Uden en Handel in het niet-Staatse deel van Noord-Brabant. Zodra zij de grens tussen het Staatse en het katholieke territorium waren overgestoken, kwamen de bedevaartvaandels en de kazuifels uit de koffers te voorschijn en trokken zij in vol katholiek ornaat verder. Bedevaartbroederschappen vormen zelfs de doorgaans oudste katholieke verenigingen ten noorden van de rivieren. Zij waren in de zeventiende en achttiende eeuw de wegbereiders voor het katholieke verenigingsleven van de negentiende en twintigste eeuw. Het avontuurlijke zat voor deze pelgrims eerder in mogelijke represailles van de protestantse overheid dan in het ontbreken van een kerkelijke context. 

Dat laatste is wel het geval voor de meeste hedendaagse pelgrims. Kerk en geloof zijn voor hen niet meer zo vanzelfsprekend als voor hun voorgangers in voorbije eeuwen. Een bedevaart of pelgrimage voltrekt zich voor hen minder vanuit een beschermde en beschermende kerkelijke context. Voor velen is een parochie of kerkelijke gemeente niet meer het vertrouwde milieu van waaruit zij vertrekken en waarin zij na hun tocht terugkeren. Hoe dat zo gekomen is, komt aan bod in de volgende aflevering.

Prof. dr. Peter Nissen is hoogleraar Kerkgeschiedenis/Geschiedenis van het Christendom aan de Radboud Universiteit Nijmegen