Opgelegde straffen en hemelse wensen

Social Share

Opgelegde straffen en hemelse wensen

Waarom gingen en gaan bedevaartgangers en pelgrims op pad? Wij veronderstellen misschien wat te gemakkelijk dat een heilige tocht altijd het gevolg is van een eigen en persoonlijke keuze. Maar in het verleden gingen lang niet alle pelgrims en bedevaartgangers uit vrije wil op pad. Velen gingen op weg omdat de tocht hen was opgelegd. Pelgrimages en bedevaarten waren vaak een door de kerk opgelegde boetedoening, een penitentie. De pelgrimage werd door de priester aan een biechteling als boetedoening opgelegd. De private biecht, door een gelovige uitgesproken ten overstaan van een priester, heeft zich ontwikkeld in de context van kloostergemeenschappen, vooral in Ierland, en is in de vroege middeleeuwen over Europa verspreid geraakt, ook buiten het kloosterlijke milieu. In hetzelfde Ierland bestond ook de devotionele praktijk van de peregrinatio, het ontheemd zijn omwille van het Rijk Gods. Voor Ierse asceten – en zo bijvoorbeeld ook voor Willibrord, de apostel van de Lage Landen, die twaalf jaar in een Iers klooster had doorgebracht – was de peregrinatio de hoogste graad van een monastiek leven. De peregrini verlieten zoals Abraham hun land en volk om uit te trekken naar het land dat God hen wijzen zou. Beide fenomenen, de praktijk van de biecht en het ideaal van de peregrinatio, kwamen bij elkaar in de als boetedoening in de biecht opgelegde pelgrimage.

In Ierland en vervolgens ook in het Angelsaksische gebied ontstonden in de vroege middeleeuwen zogenaamde boeteboeken: boeken die aan biechtvaders instructies gaven over de boetedoeningen die bij bepaalde zonden aan biechtelingen moesten worden opgelegd. Dat dergelijke boeken ontstonden, had te maken met een zekere hang naar objectiviteit in de biechtpraktijk: er was behoefte aan ‘vaste tarieven’ voor biechtvaders en biechtelingen, zodat ieder wist waar hij zich aan te houden had en een biechteling er bij een andere biechtvader niet gemakkelijker vanaf kon komen. Vanaf de achtste eeuw komt in deze boeteboeken de pelgrimage als boetedoening voor. Zij gold vooral als penitentie voor zware zonden, zoals moord, ontucht en meineed, en in het geval van priesters ook voor schending van het biechtgeheim. Het reisdoel van de pelgrimage werd in de boeteboeken niet omschreven, maar wel de duur ervan. Die was afhankelijk van de ernst van de zonde. Bij de juist genoemde zware zonden gold een pelgrimage, dus een tijd van ontheemd en verbannen zijn uit eigen land en volk, van zeven jaar doorgaans als norm.

Aanvankelijk was het voldaan hebben van de penitentie voorwaarde om van de priester vergeving van de zonden te kunnen ontvangen. De pelgrim moest dus aan het eind van zijn tocht bij de priester terugkeren en een bewijs van de afgelegde pelgrimage overleggen, waarop de priester hem de zogenaamde absolutie of vergiffenis van de zonden verleende. Uit deze praktijk zijn de bewijsbriefjes ontstaan die pelgrims nu nog steeds in bijvoorbeeld Santiago de Compostela op vertoon van de stempels op hun pelgrimspas in ontvangst kunnen nemen, de zogenaamde compostela. Later in de middeleeuwen werd de volgorde tussen penitentie en absolutie in de biecht omgedraaid: de priester verleende aan de biechteling vergiffenis van de zonden, waarna deze de penitentie ging volbrengen. Deze omkering had mede te maken met het streven te voorkomen dat de biechteling zou denken zijn vergeving door eigen inspanningen te kunnen verdienen. De vergiffenis werd hem geschonken op grond van Gods barmhartigheid en niet op grond van zijn eigen boetewerken.

 

De opgelegde pelgrimage drong in de dertiende eeuw vanuit de kerkelijke boetepraktijk ook door in het wereldlijke recht. Vooral in de strafrechtelijke bepalingen van veel steden, in Frankrijk maar ook in de Nederlanden, kreeg de bedevaart als straf een vaste plaats. Het reisdoel van de bedevaart werd nu wel vastgelegd, want men kon daarmee ook de duur van de tocht bepalen. Tussen 1300 en 1550 legden vele Nederlanders zo’n door de stedelijke rechter opgelegde bedevaart af. In sommige streken verdween de bedevaart pas laat uit het strafrecht. In de vrije rijksheerlijkheid Rijckholt bij Maastricht werd zelfs in 1680 nog iemand wegens doodslag veroordeeld tot een bedevaart naar Santiago de Compostela.

Waarom legde men de bedevaart als straf op? Een grote rol speelde zeker de gedachte dat door de bedevaart genoegdoening gegeven kon worden voor de door het misdrijf verbroken orde. Die genoegdoening was, zo meende men, effectiever en verkieslijker dan de bloedwraak, die het Germaanse recht kende. Want die leidde alleen maar tot nog meer bloedvergieten. Door de misdadiger op bedevaart te sturen, kon de verstoring van de orde op een sacraal niveau hersteld worden. Het gebed van de bedevaartganger zou de gemeenschap ten goede komen en zou bijdragen een vrede en verzoening. Ook zal de gedachte meegespeeld hebben dat een bedevaart de misdadiger tot inkeer kon brengen. De kerkvader Augustinus stuurde rond 405 al twee geestelijken, Spes en Bonifatius, die elkaar over en weer van een wandaad beschuldigden, op bedevaart naar het graf van de heilige Felix te Nola, met de gedachte dat de heiligheid van die plaats en de tocht erheen de priesters tot inkeer zouden brengen en hen ertoe zouden brengen de waarheid te spreken. Een welkom neveneffect van de strafbedevaart in de middeleeuwen was ten slotte dat de misdadiger voor geruime tijd uit de lokale samenleving verwijderd was. Dat was in een tijd waarin men de gevangenisstraf nog niet met die bedoeling kende, een effectieve manier om een tijd geen last te hebben van een crimineel.

Natuurlijk waren in het verleden lang niet alle pelgrims op pad omdat zij hun tocht als straf hadden opgelegd gekregen. Velen gingen op weg uit het verlangen een plaats te bezoeken die een sacrale betekenis had. Voor de Spaanse dame Egeria was dat rond 400 het motief om naar het Heilige Land te reizen. Zij wilden de plaatsen bezoeken waar de heilsgeschiedenis van het godsvolk Israël en het aardse leven van Jezus zich hadden afgespeeld. Zij wilde als het ware meetrekken met de uittocht van het volk uit Egypte naar het beloofde land en met de lijdensweg van Jezus door Jeruzalem. Deze hang naar fysieke nabijheid, naar de mogelijkheid om de plekken aan te kunnen raken waar het heilige zich op bijzondere wijze gemanifesteerd heeft, is altijd een rol blijven spelen in de christelijke bedevaartpraktijk. De grote teen van het bronzen beeld van Petrus in de Sint-Pieter te Rome is in de loop der eeuwen – het beeld is waarschijnlijk rond 1300 gemaakt – zelfs afgesleten doordat zovele pelgrims de voet van de apostel wilden aanraken en kussen, een gebruik dat nu nog steeds bestaat.

Daarnaast gingen velen op bedevaart in de hoop uitkomst te vinden in een moeilijke situatie of hulp in een concrete nood. Deze kon van lichamelijke aard zijn: bedevaartgangers gingen vaak op pad in de hoop genezing te vinden voor zichzelf of voor familieleden of vrienden. Zij brachten dan een geschenk mee in de vorm van het lichaamsdeel waarvoor genezing gevraagd werd: een arm of been in zilver of in was. Die geschenken, die uitdrukking waren van de bede of wens (votum) om genezing en daarom votiefgeschenken of ex-voto’s werden genoemd, werden achtergelaten in de bedevaartplaats en sierden daar later de wanden van kerk of kapel. In de Sint-Janskathedraal van ’s-Hertogenbosch is in de kapel van de ‘Zoete Lieve Moeder’ een hele verzameling van dergelijke votiefgeschenken te zien.

 

De nood die pelgrims op pad bracht, kon ook van geestelijke, mentale of religieuze aard zijn: het verlangen naar inzicht in de eigen levensroeping, de behoefte aan bevestiging of verdieping van het eigen geloof. Voor hen geldt wat voor de meeste hedendaagse pelgrims geldt: de pelgrimsweg staat in het teken van de eigen levensweg, en die weg is het doel. In de volgende aflevering zullen we zien hoe dit in enkele recente pelgrimsverslagen tot uitdrukking komt.

 

Prof. dr. Peter Nissen is hoogleraar Kerkgeschiedenis/Geschiedenis van het Christendom aan de Radboud Universiteit Nijmegen