Interview met eerste voorzitter

Social Share

In 1985 ging hij voor het eerst op stap richting Santiago de Compostela. Op 6 juni 1985 krijgt hij onderweg in de benedenstad van Châteaudun van een voorbijganger het adres van een Nederlandse pelgrim die een paar maanden daarvoor daar ook was gepasseerd. Als hij terugkeert in Nederland belt hij deze Rien van Aalst op en waarschijnlijk is in dat telefoongesprek voor het eerst de mogelijkheid geopperd, te komen tot een Nederlandse broederschap van pelgrims naar Santiago. Hij weet het niet zeker meer, maar anders is het in een van de volgende telefoongesprekken met Rien geweest. Aan het woord is Koen Dircksens, de eerste voorzitter.

 

Waarom in 1985 op pad als pelgrim?

Eigenlijk ben ik pas na afloop van mijn tocht gaan nadenken over het waarom ervan. Ik had de behoefte om er eens een tijdje helemaal uit te zijn, zonder verplichtingen jegens anderen. Daarnaast was er de romantiek van de historie: te weten dat ik letterlijk in het voetspoor liep van miljoenen voorgangers. Misschien heeft ook de uitdaging een rol gespeeld; wie loopt er nu duizenden kilometers met zware bepakking zonder intensieve training? Verder wilde ik nadenken. Als midden veertiger wilde ik nadenken over mezelf in relatie tot anderen. Maar vooral, wilde ik proberen te ontdekken, wat al die miljoenen pelgrims heeft bewogen om het al dan niet vermeende graf te bezoeken van een leerling van iemand die de zoon van God wordt genoemd.

 

Broederschap of genootschap?

Eind 1985 werd er in het kader van de Europalia 1985 in de Pieters abdij in Gent een tentoonstelling gehouden over Santiago de Compostela. De Franse Société des Amis de Saint Jacques de Compostelle organiseerde rond die tentoonstelling ook een bijeenkomst met verschillende buitenlandse Santiago verenigingen, waarbij het Vlaams Genootschap van Santiago de Compostela als gastheer optrad.In elk geval is daar het plan, een eigen broederschap op te richten voor het eerst in wat grotere kring getoetst en naar buiten gebracht.

 

Hoe is de oprichting tot stand gekomen?

Tot dan toe was steeds gesproken over een broederschap. De KRO gaf in die tijd een blad uit over de uitzendingen van Tussen hemel en aarde. In dat blad liet ik de mededeling opnemen dat er plannen waren, een broederschap op te richten en riep ik belangstellenden op, te reageren. De redactie van dat blad vroeg zich af, waarom ‘broeder’-schap en zusters dan? Dit werd de concrete aanleiding, om vanaf dan te spreken over een Genootschap. Alle geïnteresseerden ontvingen een uitnodiging voor een bijeenkomst in Baarn. Er werd een zaaltje geregeld, voor circa vijftig mensen, maar dat zo nodig kon worden uitgebreid. Op de ochtend van 26 april 1986 moet het kleine zaaltje van ‘Het Brandpunt’ door het openen van de vouwdeur worden uitgebouwd. Ruim honderd aanwezigen! In die bijeenkomst in Baarn is een informele Vereniging opgericht onder de voorlopige naam: Nederlands Genootschap van Santiago de Compostela.

Drie maanden later, op de naamdag van Sint-Jacob, 25 juli 1986 waren we zo ver dat we de vereniging formeel konden oprichten. Jan Naef, Koos van der Werff en ik togen naar de notaris. Het eerste bestuur bestond uit acht personen, behalve de drie die ik zo even noemde uit Mireille Madou, vicevoorzitter en Annet van Wiechen, Ton Ederveen, Frank Claessen en Henk Relou, leden.

 

Wat wordt de taak van dat Genootschap?

Buitenlandse verenigingen hebben vaak een dubbel actieterrein. Enerzijds is een groep organisatoren

verantwoordelijk voor de ‘actualiteiten’, dat wil zeggen men zorgt ervoor dat de pelgrims te voet, per fiets, te paard of anderszins goede informatie, eventuele aanbevelingsbrieven enzovoorts ontvangen. Anderzijds bestaat in elk van de genoemde verenigingen een studiegenootschap, waarvan de leden zich toeleggen op het onderzoek naar historische, cultuur- en kunsthistorische en sociaaleconomische aspecten van de pelgrimstochten naar Santiago. Het is de bedoeling dat de resultaten van genoemde onderzoeken in publicaties hun neerslag vinden. Deze tweedeling werd door de initiatiefnemers van de vergadering in Baarn en door het merendeel van de aanwezigen in principe ook gekozen.

 

Mireille Madou was nauw bij de oprichting betrokken?

Jazeker op de vergadering in Baarn hield zij een voordracht met als onderwerp: De pelgrim. Hierin lag het accent op het dagelijkse leven van de pelgrim onderweg in de middeleeuwen, zoals dit in de beeldende kunsten voorkomt een aspect dat in de bestaande studies nog nauwelijks behandeld werd. Bovendien heeft zij van die eerste bijeenkomst de notulen geschreven.

 

De Pelgrim als lijfblad? 

Het Vlaamse Genootschap stelde voor hun tijdschrift De Pelgrim in de toekomst te zien als gemeenschappelijk tijdschrift voor de Vlaamse en Nederlandse genootschappen.

Maar met ingang van 1989 is besloten over te gaan tot de uitgifte van een eigen verenigingsblad.

Door de sterke groei van beide verenigingen in de eerste jaren was het in elkaar zetten en nieten van het blad door vrijwilligers bijna niet meer te doen. Bovendien ontwikkelde het eigen karakter van ons Genootschap zich langs wegen die niet volledig samenvielen met die van het Vlaamse.

En ook dat leverde wat probleempjes op. Twee leden Gerrit van Lent en Frits Beelaerts van Blokland bedachten onafhankelijk van elkaar de naam ‘de Jacobsstaf ’; het logo is ontworpen door Ruud Conens. Vanaf 1989 vormde Frank Claessen samen met Annet van Wiechen de eerste redactie.

 

Het kunstzinnige, historische en culturele element!

De naam van Madou is gevallen, als ik door de jaargangen van de Jacobsstaf blader dan heeft zij veel betekend voor de kunstminnende pelgrims. Ik heb al verteld dat veel buitenlandse genootschappen een dubbele organisatie kennen, de tak van het praktisch pelgrimeren en een meer wetenschappelijk ingestelde studiegroep.

Het is de grote verdienste van Mireille geweest dat het culturele en het kunstzinnige, het historische element vanaf het begin volledig is ingebouwd in ons Genootschap.

 

20 jarig bestaan

Deze uitgave van de Jacobsstaf is wat dikker dan normaal en daarmee vieren we het 20 jarig bestaan van het Genootschap. Zijn er nog andere namen die volgens jou voor het Genootschap van belang zijn?

De verleiding is groot, nog eens stil te staan bij de mensen die in Gent aan de wieg hebben gestaan van ons Genootschap, bij de bestuursleden die ons Genootschap structuur en vorm hebben gegeven, maar ook bij al die leden die hun inbreng hebben gehad, ieder op eigen manier. Maar ik durf het niet,doodsbang dat ik iemand zou vergeten en daardoor ongewild pijn zou doen. 

Vertellen over ons Genootschap betekent vertellen over mensen, mensen die je dierbaar zijn geworden; mensen die je ontmoet en soms na verloop van tijd ook weer uit het oog verliest. En is ook dat niet als met een pelgrimstocht. Je ontmoet medepelgrims, loopt een eind samen op en raakt elkaar ook weer kwijt…

Laten we zorgen, dat we op onze tocht niet al te veel mensen kwijt raken! Het Genootschap telt nu bijna 6000 leden en voorziet kennelijk in een grote behoefte. Heb jij als initiatiefnemer ooit kunnen vermoeden dat het zo’n grote vlucht zou nemen en heb je daar ook een verklaring voor?

Toen Rien van Aalst en ik voor het eerst over een broederschap spraken dachten we aan zo’n vijftig tot honderd leden, hooguit. Maar op de voorbereidende vergadering waren al meer dan honderd aanwezigen, afkomstig van adressenlijsten van Rien, Mireille en mijzelf. Op 15 november 1986, een half jaar erna, was het aantal leden al meer dan verdubbeld: 246. Een jaar later, op 14 november 1987 bedroeg het 280 en op 1 maart 1988 362. Sindsdien heeft de groei niet stilgestaan.

 

Ontwikkelingen

Ik denk dat dit te maken heeft met verschillende ontwikkelingen die elkaar versterkt hebben. In willekeurige volgorde: de hoge vlucht die doe-vakanties hebben genomen; het lange-afstand-wandelen; de toegenomen interesse voor tot nog toe wat verzwegen periodes uit de geschiedenis, zoals de ‘duistere’ Middeleeuwen; spiritualiteit is populair geworden en waarschijnlijk vergeet ik er nog een paar. Laten we het er maar op houden dat we op het juiste moment zijn begonnen en sindsdien de wind hebben mee gehad. En dat ons Genootschap nu twintig jaar bestaat… och, er zijn veel Middeleeuwse Jacobus-broederschappen die het eeuwen hebben uitgehouden. Voorlopig moeten we dus maar doorgaan met het elkaar op weg te helpen en onderweg elkaar te steunen!

(Omdat Koen Dircksens veel tijd in Frankrijk doorbrengt is dit interview tot stand gekomen door gebruik te maken van zijn toespraak bij gelegenheid van het 15-jarig bestaan van het Genootschap en middels telefonisch en e-mail contact)