Grenzen overschrijden

Social Share

Grenzen overschrijden

Niet de bestemming, maar de tocht maakt iemand tot pelgrim. Maar toch noemen we niet elke tocht een pelgrimage. In de christelijke geloofsbeleving, vooral in de rooms-katholieke en de oosters-orthodoxe traditie, is immers nog een ander soort van religieuze tocht wijd verbreid: de processie. Ik schreef bijna: wijd verbreid geweest. Want het woord processie roept snel de associatie op met het Rijke Roomse Leven, met een periode van uitbundige uiterlijke geloofsbeleving. En die is voorbij. Toch is dat niet helemaal waar. Hier en daar is de processie, ook in Nederland, weer aan het terug komen. Na soms een onderbreking van veertig jaar trekken de laatste jaren weer processies door Amsterdam, Dokkum, Oldenzaal en Utrecht. Bij een processie verplaatsen de gelovigen zich, zij schrijden voort: het woord processie is afgeleid van het Latijnse procedere, dat voortschrijden betekent. In die verplaatsing komt de processie overeen met de bedevaart of pelgrimage.

Maar er is ook een belangrijk verschil. Bij een processie trekken de gelovigen door het kerkgebouw heen (bijvoorbeeld op Maria Lichtmis en Palmzondag), rondom het kerkgebouw door dorp of stadswijk (bij de sacramentsprocessie) of door de velden rondom het dorp (op de zogenaamde kruisdagen, waarop om vruchtbaarheid en een goede oogst werd gebeden). Zij blijven dus in de buurt van de kerk. De grenzen van de eigen parochie of gemeente worden niet overschreden. Dat onderscheidt de processie van de bedevaart of pelgrimage. De laatste is een tocht waarbij territoriale grenzen worden overschreden, in elk geval die van de eigen parochie. Een pelgrimage zoekt de afstand, de processie blijft dicht bij huis. De laatste is eigenlijk een geordend onderdeel van de kerkelijke liturgie: een processie verloopt groepsgewijs en wordt begeleid door min of meer vaste gebeden en gezangen. Het is dus een bedetocht: de liturgievierende gemeenschap verplaatst zich tijdelijk. Zij doet dat biddend en volgens vast ritueel met uiterlijk vertoon.

Althans: waar dit mogelijk is. Want het processieverbod dat in de negentiende eeuw in de Nederlandse wetgeving werd vastgelegd, leidde ertoe dat de processie in vele gemeenten de vorm kreeg van een zogenaamde Stille Omgang: de gelovigen verplaatsten zich wel groepsgewijs, maar zonder luide gebeden en zonder veel uiterlijk vertoon. De meest bekende Stille Omgang is wel die in Amsterdam, die sinds de negentiende eeuw elk jaar tijdens een zaterdagnacht in maart (komend jaar 2008 zal dat zijn tijdens de nacht van 8 op 9 maart) wordt gehouden ter herinnering aan een sacramentswonder dat zich in 1345 had afgespeeld in een woonhuis aan de Kalverstraat. De laatste jaren wordt er door ongeveer achtduizend mensen uit het hele land aan deelgenomen, vooral – maar niet uitsluitend - rooms-katholieken. Stille Omgangen zijn zoals gezegd het gevolg van het negentiende-eeuwse processieverbod, dat bepaalde dat katholieke bedetochten met het oog op de openbare orde niet toegelaten konden worden op plaatsen waar ze bij de invoering van de grondwet van 1848 al niet van oudsher bestonden. Dat laatste betekende dat processies vooral beperkt bleven tot het katholieke zuiden van Nederland, waar de belanghebbenden konden bewijzen dat de bidtocht al lang bestond. De ontwikkeling van het kerkelijk leven in Nederland leidde tegen het eind van de negentiende eeuw tot het streven oude processies te herstellen of nieuwe in te voeren. Her en der leidde dat tot felle confrontaties met de vaak liberale of protestantse overheid. De cultuurhistoricus Peter Jan Margry heeft in zijn dissertatie Teedere Quaesties (2000) laten zien dat rond de processies, evenals trouwens rond de protestantse bededagen en zendingsfeesten, in Nederland een ideologische strijd om de publieke ruimte gestreden werd.

De grondwetsherziening van 1983, die in 1989 van kracht werd, betekende het einde van het processieverbod. Van de vrijheid die hierdoor geboden wordt, is her en der al gebruik gemaakt door het herinvoeren van processies die soms al sinds eeuwen niet meer gehouden zijn. Zo werd in Utrecht in 2002 de Willibrordprocessie heringevoerd, die voor het laatst in 1673 had plaats gevonden. De teruggekeerde processies in Nederland illustreren op een rituele wijze de terugkeer van religie in het publieke domein, een thema waaraan de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in december 2006 een eerste, maar toch al vuistdikke studie wijdde.

De processie is dus een verplaatsing of beweging waa

rbij gelovigen het publieke domein opzoeken. Maar de processie blijft binnen grenzen. Meestal vallen begin- en eindpunt ook samen: de processie begint vanuit en eindigt ook weer in de eigen parochiekerk. Onder een bedevaart daarentegen verstaan we doorgaans een verplaatsing (‘vaart’) waarbij de grens van het vertrouwde overschreden wordt. De bedevaartganger verlaat de eigen parochie, het eigen dorp of de eigen stad, en in sommige gevallen – wanneer de tocht naar een buitenlands pelgrimsoord leidt - ook het eigen land.

Tot nu toe zijn de begrippen bedevaart en pelgrimage nog probleemloos door elkaar gebruikt. De woorden blijken in het dagelijks gebruik uitwisselbaar. In veel talen bestaat er ook slechts één woord voor: pilgrimage (Engels), pèlerinage (Frans) of pellegrinaggio (Italiaans). Het Nederlands en het Duits (Wallfahrt en Pilgerfahrt) bieden wel de mogelijkheid onderscheid te maken. En dan is er toch een nuanceverschil. Dat verschil komt er op neer dat bij een bedevaart de bestemming vastligt: iemand gaat op bedevaart naar een bepaalde plaats. Bij een pelgrimage hoeft dat niet zo te zijn. Iemand kan gaan pelgrimeren zonder bij voorbaat te weten waar hij of zij wil eindigen. In het woord pelgrimage ligt dus, sterker dan in het woord bedevaart, de nadruk op het onderweg zijn, en dat onderweg zijn hoeft niet per se een vooropgezet reisdoel te hebben. De peregrinus was in de tijd van het klassieke Romeinse recht een ongebonden vreemdeling, die geen Romeins burgerrecht bezat. De Latijnse bijbelvertalers ijkten het woord peregrinatio vervolgens als aanduiding voor het onderweg zijn zonder een eigen thuis: de thuisloosheid of ontheemdheid. De Ierse monniken die als geloofsverkondigers in de vroege Middeleeuwen naar het Europese vasteland kwam, zoals Willibrord, kozen voor dit ideaal van de ontheemding of de thuisloosheid. Zij werden peregrini propter nomen Domini (vreemdelingen omwille van de naam van de Heer). Er is in het christendom een rijke literaire traditie ontwikkeld waarin de pelgrimage als metafoor wordt gebruikt voor het menselijk leven, waarvan het eindpunt ook verborgen is en de plaats van bestemming onzeker. Een bekend voorbeeld daarvan is The Pilgrim’s Progress van de Engelse puritein John Bunyan uit 1678. Het werk werd in wel 125 talen vertaald. In 1682 verscheen onder de titel Eens Christens Reyse na de Eeuwigheyt al de eerste Nederlandse vertaling, door Jan Luyken van fraaie etsen voorzien. Vooral in de kring van de Nadere Reformatie werd Bunyans pelgrimsreis veel gelezen.

Ondanks dit nuanceverschil komen de bedevaartganger en de pelgrim hierin overeen: zij willen grenzen overschrijden. Zij steken de grens over tussen twee domeinen: het domein van het gewone en vertrouwde, het domein van ‘thuis’, en het domein van het vreemde, het andere, het domein van ‘uit’. Maar doet dat ook de vakantieganger niet? En de sportieve wandelaar? Wat onderscheidt hen van de pelgrim? Die vraag bewaren we voor de volgende bijdrage.


 

Prof. dr. Peter Nissen is hoogleraar Kerkgeschiedenis/Geschiedenis van het Christendom aan de Radboud Universiteit Nijmegen