Een zoektocht zonder zekerheden

Social Share

Een zoektocht zonder zekerheden

In de christelijke wereld hebben bedevaarten en pelgrimages vanaf de hoge middeleeuwen een proces van verkerkelijking ondergaan. Kerkelijke overheden bemoeiden zich in toenemende mate met de organisatie en begeleiding van sacrale tochten. Vanaf de zestiende eeuw werd de parochiebedevaart in katholieke kring een vertrouwd onderdeel van de geloofspraktijk en een beproefd instrument van pastorale leiding. Het op pad gaan naar heilige oorden werd een vorm van collectief kerkelijk gedrag en werd zo ook in sterke mate van zijn avontuurlijke, onberekenbare en onvoorspelbare kant ontdaan. De pelgrims wisten waar ze vandaag kwamen, waar ze naar op weg waren en waar ze weer naar zouden terugkeren: naar een vertrouwde kerkelijke omgeving, vol zekerheden, stabiel en consistent.

Voor veel hedendaagse pelgrims gaat dit beeld niet meer op. Zij vertrekken vanuit een andere situatie dan hun voorgangers uit voorbije eeuwen en zij weten vaak niet waar zij zullen eindigen. De pelgrimage is opnieuw een avontuur geworden: dolen langs Gods wegen. De hedendaagse pelgrim is veeleer een zoekende dan een wetende. Zijn rugzak is niet langer volgeladen met geloofszekerheden. Zijn pelgrimsstaf komt zijn onzekere schreden te hulp, maar het is geen staf met heilig gezag. Hij zal er de ongelovigen op zijn weg niet mee om de oren slaan. De tocht van de hedendaagse pelgrim is weer opnieuw en sterker een metafoor geworden voor het menselijk leven.

De situatie van de hedendaagse Westerse pelgrim wordt natuurlijk getekend door de maatschappelijke, culturele en religieuze ontwikkelingen die zich in de laatste decennia in ons deel van de wereld hebben voorgedaan. Die ontwikkelingen zijn ons allemaal min of meer vertrouwd. Ze hoeven hier ook slechts in grove lijnen getekend te worden.

De eerste ontwikkeling is die van de secularisering. Deze heeft zich in de verschillende Europese landen in wisselend tempo voltrokken; hier en daar is ze nog maar net begonnen, elders is ze in een ver gevorderd stadium. In Nederland heeft het proces van secularisering zich in een hoog tempo, hoger dan in de meeste andere Europese landen, voltrokken. Een halve eeuw geleden behoorde Nederland nog tot de landen in Europa met de hoogste graad van kerkelijkheid, nu behoort het tot de drie meest geseculariseerde landen van de wereld. De kerkelijke praktijk is in snelle vaart afgenomen. Voor katholiek Nederland is deze ontwikkeling vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw zichtbaar geworden door de cijfers van het KASKI, het kort na de Tweede Wereldoorlog opgerichte instituut voor sociaal-kerkelijk onderzoek en beleidsadvies. Historici weten inmiddels dat het proces zich in katholiek Nederland al eerder voordeed, zij het minder zichtbaar. Het uitte zich in een kerkelijk gedrag dat zich beperkte tot het strikt verplichte, of - in de toch wat normatieve taal van de godsdienstsociologen van die tijd - in ‘kerkelijk minimalisme’.

Dit gedrag werd in de vroege jaren vijftig door de katholieke godsdienstsocioloog pater Alfred van de Weijer vastgesteld in de nieuwbouwwijken van de stad Tilburg, ooit door de bisschop van ’s-Hertogenbosch geprezen als ‘het pronkjuweel van het diocees’. Parochiebedevaarten waren, naast andere niet verplichte rituelen, het slachtoffer van dit kerkelijke minimalisme. De deelname eraan verloor voor een jongere generatie katholieken in de steden de vanzelfsprekendheid die zij voor oudere katholieken op het platteland nog wel had. Vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw vertoont ook de deelname aan andere kerkelijke rituelen, in katholieke en in protestantse kring, een dalende lijn. Daarmee valt in toenemende mate ook de kerkelijke context weg voor het fenomeen van de bedevaart of pelgrimage: een pelgrim is niet langer iemand die vanzelfsprekend ook regelmatig aan andere kerkelijke vieringen, zoals de zondagse dienst, deelneemt.

In kerkelijk Nederland heeft de secularisering nu de derde generatie bereikt, een generatie die ook al niet meer ‘van huis uit’ katholiek, hervormd of gereformeerd is, een generatie die ook nauwelijks meer herinneringen heeft aan een religieus leefpatroon. De Nederlandse bisschoppen schreven in hun rapport over de kerkelijke situatie in Nederland, opgesteld met het oog op hun zogenaamde ad limina-bezoek aan Rome in maart 2004: ‘Het christendom heeft een minderheidspositie in de Nederlandse samenleving. De christelijke taal, symbolen en denkwijzen verdwijnen uit het openbare leven.’ Voor een groot deel van de Nederlanders is het christendom daarmee hooguit ‘een stukje cultureel erfgoed’ geworden. De in Amsterdam werkzame Amerikaanse historicus James Kennedy stelt vast dat door het snelle verloop van de secularisering in Nederland veel mensen radicaal zijn afgesneden van het religieuze verleden. Het christendom behoort voor hen niet eens meer tot iets van hun jeugd, het behoort definitief tot een heel andere, een voorbije wereld.

Dit geldt ook voor het fenomeen van de pelgrimage en de bedevaart. Voor sommigen behoort het tot een religieuze cultuur die hen nog vanuit hun jeugd vertrouwd is, voor anderen is het een onbekend en in zekere zin nieuw fenomeen. Sommige hedendaagse pelgrims hebben de religieuze tocht als het ware opnieuw ontdekt, als een ritueel dat afkomstig is uit een verre en voorbije wereld. Zij nemen het op in hun - vaak onuitgesproken - religieuze repertoire, waarin zij met evenveel gemak oosterse meditatietechnieken, mandala’s, indiaanse zweethutten, soefiwijsheden en boeddhabeelden een plaats geven. De christelijke cultuur waarin ooit bedevaarten en pelgrimages een vertrouwde plek hadden, is even exotisch geworden als de culturen waaruit de andere elementen van hun religieuze repertoire afkomstig zijn.

Een andere ontwikkeling die de situatie van de hedendaagse pelgrim meebepaalt, is de sterke afkeer die onze tijd kent van groepsverbanden. Komend vanuit een situatie van verzuiling hebben vele Nederlanders in hoog tempo de banden met hun vroegere subcultuur verbroken. Deze werden vaak als ‘beknellend’ of ‘verstikkend’ ervaren en mensen zijn er trots op zich aan die banden ontworsteld te hebben. Er bestaat een principieel wantrouwen tegen groepsdwang en opgelegd conformisme, een wantrouwen waarmee kerken en andere instituties de rekening voor hun recente verleden gepresenteerd krijgen, maar waarmee evengoed politieke partijen, vakbonden, omroepen en verenigingen geconfronteerd worden. Er lijkt een soort algemene bindingsangst in onze samenleving te bestaan. De keerzijde hiervan is dat het religieuze gedrag van mensen in sterke mate geïndividualiseerd is. Dat geldt ook voor de hedendaagse pelgrim. Hij is niet langer iemand die in georganiseerd kerkelijk verband op pad gaat. Hij is de individuele zoeker, die zich hooguit met enkele tochtgenoten verbindt, maar niet met een veeleisend instituut.

Ten slotte is voor veel hedendaagse pelgrims de overtuigingskracht van de grote verhalen weggevallen. Zij verbinden zich niet met elkaar op basis van een gedeelde ideologie, maar hooguit op basis van tijdelijk gedeelde belangen. Ze gaan dus ook niet op pad vanuit een solide geloofsleer, om de waarheid van een dogmatisch systeem tijdens hun pelgrimage versterkt en bevestigd te vinden. Integendeel: zij gaan op pad om te zoeken, tastend, aarzelend en stamelend. Was vroeger de pelgrim een gelovige die tijdens zijn tocht wellicht ook een zoekende werd, nu is hij vooral een zoekende, die tijdens zijn tocht wellicht – soms, even – een gelovige wordt.

Prof. dr. Peter Nissen is hoogleraar Kerkgeschiedenis/Geschiedenis van het Christendom aan de Radboud Universiteit Nijmegen