‘Wij hebben elkaar elke dag ontmoet’

Social Share

‘Wij hebben elkaar elke dag ontmoet’

In de vorige aflevering hebben we gezien dat in het verleden lang niet iedere pelgrim of bedevaartganger uit eigen beweging op pad ging. Velen gingen noodgedwongen op bedevaart, omdat de tocht als kerkelijke boetedoening was opgelegd of zelfs als straf door de stedelijke rechter. Dat fenomeen behoort tot de verleden tijd. Ook zullen in onze tijd niet velen meer op bedevaart of pelgrimage gaan omdat het een kerkelijke conventie is. Parochiële busbedevaarten bestaan hier en daar nog wel, maar de bussen zijn minder vol dan zij vijftig jaar geleden waren. Tenzij de bestemming een tot de verbeelding sprekende stad als Rome is. Maar dan krijgt de bedevaart al snel het karakter van een verkapte cultuurreis.

Wie in onze tijd op bedevaart of pelgrimage gaat, doet dat uit eigen vrije wil. Sterker nog: aan het initiatief om een sacrale tocht te ondernemen, gaan doorgaans een zorgvuldige afweging en een bewuste keuze vooraf, al zijn er uiteraard ook pelgrimages die tamelijk impulsief worden ondernomen. Pelgrimsverslagen geven meestal inzicht in de motieven van de pelgrim, en van die pelgrimsverslagen zijn er de laatste twee decennia nogal wat in druk verschenen: pelgrimage is ook op de boekenmarkt in. Daarnaast is er ook onderzoek gedaan naar de motieven van bedevaartgangers. Uit een studie die twintig jaar geleden werd verricht naar de motieven van bezoekers van de geliefde katholieke bedevaartplaatsen Lourdes, Banneux en Wittem, blijkt dat religieuze en niet-religieuze motieven door elkaar heen lopen. Bedevaartgangers zeiden bijvoorbeeld dat zij naar Lourdes gingen om ‘samen rust en stilte te zoeken’. De rust en de stilte kunnen een religieuze betekenis hebben, zij kunnen ook in het teken staan van ontspanning en recreatie: Lourdes is voor velen ook vakantie. En dat men die stilte en die rust samen wilde zoeken, kan ook nog wijzen op een sociaal motief: sommigen gingen ook op bedevaart omdat familieleden of vrienden zich al voor die tocht hadden aangemeld en omdat het hen wel ‘gezellig’ leek om mee te gaan. Het hoogste scoorden bij het onderzoek uit 1987 toch nog altijd uitgesproken religieuze motieven: men zocht troost, bijstand, hulp en uitkomst in een geestelijke nood. De tweede groep motieven die het hoogste scoorden, waren die welke met geloofsverdieping te maken hadden: men wilde zich bezinnen, men wilde bidden voor de noden in de wereld, men wilde het eigen geloof versterken door er samen met anderen in de bedevaart getuigenis van af te leggen. Maar er waren ook motieven van meer sociale aard: de al genoemde gezelligheid en ontspanning. Sommigen waren, althans zo verklaarden ze, ook alleen maar in de bedevaartplaats omdat ze iemand anders moesten begeleiden. En ten slotte waren er ook nog enkele bezoekers die aangaven alleen maar uit nieuwsgierigheid gekomen te zijn.

De in boekvorm uitgegeven pelgrimsverslagen van mensen die een lange tocht hebben afgelegd, bijvoorbeeld naar Assisi, naar Santiago de Compostela of naar Rome, geven een ander beeld. Dat is ook niet verwonderlijk. De fysiek zware tocht naar die plaatsen – of die nu te voet of per fiets wordt afgelegd – vraagt toch wel iets meer dan een eendaagse busbedevaart naar Banneux of een vijfdaagse treinbedevaart naar Lourdes. Wie de voettocht naar Santiago gaat maken, moet zich toch wel even afvragen waar hij of zij aan begint. De ervaring van die tocht blijkt soms ook zo intensief dat niet weinigen al tijdens de bedevaart de pen ter hand nemen om hun gedachten vast te leggen, bijvoorbeeld in een dagboek. Uit die aantekeningen zijn dan in sommige gevallen weer gedrukte boeken voortgekomen. Die hebben door hun aard alleen al een hoger niveau van reflectie dan een antwoord op een vragenlijst in Lourdes, Banneux of Wittem.

De pelgrimsverslagen naar Santiago – die zijn het meest talrijk – zijn biografische ervaringsverhalen. De pelgrims vertellen om te beginnen op een alledaags niveau over wat zij meemaken: zij doen verslag van hun belevenissen. Die zijn in vrijwel alle verslagen minstens verbonden met de fysieke beproevingen van de tocht: met vermoeidheid en pijn, met koude en hitte, met honger en dorst, met gesnurk en zweetvoeten in de ‘refugio’. Maar aan die belevenissen van alledag verbinden de pelgrims in hun boeken vaak verder reikende beschouwingen. Een ontmoeting of gesprek kan bijvoorbeeld aanleiding zijn tot bespiegelingen over levensvragen of religieuze thema’s. En ten slotte blijken vrijwel alle schrijvers van pelgrimsverslagen hun reiservaringen te verbinden met hun levensgeschiedenis. Er worden tijdens de reis herinneringen opgehaald, er wordt teruggeblikt in het verleden, er worden plannen en voornemens voor de toekomst gemaakt. En dat alles vindt zijn neerslag in het boek. Het reisverhaal van de pelgrim wordt verbonden met zijn levensverhaal. Sterker nog: de reis wordt geïnterpreteerd vanuit de levensgeschiedenis en omgekeerd. Het ene verhaal geeft zin en betekenis aan het andere.

Twee recent verschenen verslagen van de voettocht naar Santiago weerspiegelen dat. Het ene verslag is van een veelzijdige Duitse artiest, Hape Kerkeling: komiek, televisiepresentator, cabaretier en filmster. Bij de perspresentatie van de Nederlandse vertaling van zijn boek werd hij als de Nederlandse Paul de Leeuw aangekondigd. Het andere verslag is van Gied ten Berge, secretaris van IKV Pax Christi en al ruim dertig jaar actief in de vredesbeweging. Beide boeken vormen fascinerende lectuur, maar zij zijn tegelijk zo verschillend als hun auteurs. Het boek van Hape Kerkeling is luchtig van aard en vol gezellig gebabbel. Het boek van Gied ten Berge is diepzinnig, studieus en erudiet. Zijn reisverslag gaat vergezeld van een leerzaam essay van zijn vrouw, Wantje Fritschy, die als historica aan de Vrije Universiteit verbonden is en die na drie weken meefietsen met de pelgrim besloot haar tijd te besteden aan een historisch onderzoek naar de geschiedenis van de pelgrimstocht naar Compostela.

Verschillend was ook de motivatie tot de tocht. Bij Kerkeling was dat de – in de titel van het boek uitgedrukte - behoefte ‘er even niet te zijn’. Door een gezondheidscrisis was hij met zichzelf geconfronteerd: hij wilde luisteren naar zichzelf. De voettocht van Saint-Jean-Pied-de-Port aan de voet van de Pyreneeën naar Compostela leek hem daarvoor een geschikt middel. Hij ging er dus even tussenuit. Gied ten Berge daarentegen had na dertig jaar ploeteren in de kerkelijke vredesbeweging recht op een sabbatsverlof. Hij nam het besluit de hele afstand van zijn huis in Maarssen naar Compostela, zo’n drieduizend kilometer, per fiets af te leggen en wilde van die reis een vredestocht maken. Zij zou bovendien gesponsord worden; de opbrengst was bestemd voor een Palestijns vredesproject in Bethlehem. Voor Gied ten Berge stond de tocht dan ook vanaf het begin in een bezinnend religieus perspectief. Zijn verslag geeft daar blijk van, overigens zonder te overdrijven. Met grote regelmaat zijn de ontmoetingen onderweg en de plekken die hij bezoekt, aanleiding om verbindingen te leggen met de christelijke geloofstraditie of de eigen levensgeschiedenis. Niet zelden monden die verbindingen uit in kleine pareltjes: korte gedachten, soms een enkele zin die je meteen zou willen noteren in een spreukenboekje.

Hape Kerkeling is in de eerste helft van zijn verslag eigenlijk alleen met zichzelf bezig, en vooral met de fysieke beproeving die de voettocht betekent. Maar de fysieke confrontatie leidt geleidelijk tot een confrontatie met wat ik maar noem: de ziel. Die brengt hem tot het inzicht: ‘wees jezelf, en wees niet meer of minder dan dat’, een eenvoudige opgave, maar de uitvoering ervan is moeilijk. Heftige herinneringen komen boven, die te maken hebben met leven en dood. In wat Kerkeling zelf een ‘woelige gevoelswereld’ noemt, komt ten slotte ook de vraag op naar God. Kerkeling probeert zich Hem voor te stellen in zichzelf, maar voelt zich vooralsnog onthand. Maar de tocht, en daarmee ook het boek, eindigt met het inzicht dat hij en God elkaar elke dag ontmoet hebben: ‘als ik nog eens over alles nadenk wat ik heb beleefd, heeft God me onderweg voortdurend de lucht in gegooid en me weer opgevangen.’ De tocht van Gied ten Berge eindigt met ongeveer hetzelfde inzicht, ontleend aan de droom van een pelgrim: de Heer liep mee met de pelgrim, die dan ook steeds twee paar voetafdrukken zag. Maar toen hij het moeilijk had, zag hij, omkijkend, maar één paar. Geen wonder, zei de Heer, toen droeg ik je.

Prof. dr. Peter Nissen is hoogleraar Kerkgeschiedenis/Geschiedenis van het Christendom aan de Radboud Universiteit Nijmegen

De twee besproken boeken zijn:

Gied ten Berge en Wantje Fritschy, Pelgrimeren naar de Morendoder. Onderweg naar Jacobus van Compostela, Nijmegen; Valkhof Pers, 2006, ISBN 90.5625.235.6

Hape Kerkeling, Ik ben er even niet. Mijn voettocht naar Santiago de Compostela, Kampen/Antwerpen: Ten Have en Standaard Uitgeverij, 2007, ISBN 978.90.79001.20.0